Religie

Uitgebreide uitleg

Een vaak aangevoerd argument tegen veganisme luidt: Mijn religie of mijn God staat mij toe (bepaald) vlees te eten.

Dit argument verschilt van het scheppingsargument, volgens hetwelk dieren voor de mens zijn geschapen of hun gebruik deel uitmaakt van een goddelijke orde. Terwijl het scheppingsargument zich primair richt op de status van dieren, betreft het religie-argument vooral de relatie tussen God en mens.

De structuur luidt niet: Dieren zijn er voor ons. Maar veeleer: God heeft de mens toegestaan vlees te eten. Dus is het moreel legitiem om vlees te eten.

Beslissend is de aanname dat goddelijke toestemming een morele rechtvaardiging vormt. Morele legitimiteit wordt niet afgeleid uit lijden, rechtvaardigheid of noodzaak, maar uit goddelijke autoriteit. Het onderliggende principe luidt: Wat God toestaat, is moreel gerechtvaardigd.

Daarmee verschuift de ethische discussie van algemeen toegankelijke morele argumenten naar een theologische rechtvaardiging.

Uitgebreid antwoord

Tegen dit argument kunnen meerdere bezwaren worden ingebracht die verschillende niveaus betreffen: interne religieuze, normatieve, hermeneutische, epistemische en godsdienstfilosofische.

1. De Bijbel begint en eindigt veganistisch.

In Genesis 1,29–30 staat dat God de mens alle planten tot voedsel geeft. Ook de dieren ontvangen uitsluitend plantaardig voedsel. Vlees wordt hier niet als oorspronkelijke voeding voorzien.

Pas na de zondvloed wordt vleesconsumptie toegestaan (Genesis 9,3). Deze toestemming verschijnt niet als ideaaltoestand, maar als latere uitbreiding.

Aan het einde van het bijbelse verhaal vinden we visioenen van geweldloze co-existentie: Jesaja 11,6–9 beschrijft dat wolf en lam samen wonen en dat de leeuw stro eet als het rund. Jesaja 65,25 benadrukt dat geen kwaad of schade wordt aangericht. Ook Openbaring 21,4 spreekt van een wereld zonder lijden en dood. Symbolisch begint en eindigt het bijbelse verhaal met een geweldloze orde.

2. Alles is toegestaan, maar niet alles is goed.

In 1 Korintiërs 10,23 staat: "Alles is toegestaan – maar niet alles is nuttig. Alles is toegestaan – maar niet alles bouwt op." Hier wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen toestemming en morele optimaliteit. Een goddelijke toestemming is geen goddelijk gebod. Dat iets toegestaan is, betekent niet dat het moreel te verkiezen is.

3. Concessie vanwege harde harten.

In Matteüs 19,8 zegt Jezus: "Mozes heeft u vanwege de hardheid van uw hart toegestaan uw vrouwen te verstoten; maar vanaf het begin is het niet zo geweest." Jezus maakt hier expliciet onderscheid tussen oorspronkelijk ideaal en latere concessie. Niet elke bijbelse toestemming weerspiegelt Gods oorspronkelijke wil. Hieruit volgt dat toestemming niet automatisch morele rechtvaardiging betekent.

4. Mogelijkheid van een morele test.

Religieuze tradities benadrukken vaak dat God de mens vrijheid geeft. Deze vrijheid impliceert verantwoordelijkheid. Als iets toegestaan is, kan juist daarin de toets liggen: of de mens zich richt naar het louter toegestane of naar het moreel beste.

5. Het Euthyphro-dilemma.

De kernvraag luidt: Is iets goed omdat God het goed verklaart, of verklaart God het goed omdat het goed is?

Als God iets goed verklaart omdat het goed is, dan bestaat er een maatstaf voor goedheid onafhankelijk van God.

Als iets goed is omdat God het zo bepaalt, dan wordt moraliteit afhankelijk van Gods wil. Dat leidt tot een probleem van willekeur.

6. De bewijslast.

Voordat men God als morele rechtvaardiging aanvoert, moet aannemelijk worden gemaakt dat deze God bestaat, dat zijn openbaring authentiek is en dat zijn geboden correct worden geïnterpreteerd.

De centrale vraag blijft daarom: Is onze omgang met dieren onder hedendaagse omstandigheden moreel gerechtvaardigd — onafhankelijk van religieuze toestemming?

Bronnen