Traditie
Uitgebreide uitleg
Een vaak aangevoerd argument tegen veganisme luidt dat de consumptie van dierlijke producten diep geworteld is in de menselijke traditie. Mensen zouden al duizenden jaren dieren hebben gejaagd, gedomesticeerd en gebruikt. Onze voorouders aten vlees, bedreven veeteelt en verwerkten dierlijke producten in vrijwel alle culturen. Soms wordt daaraan toegevoegd dat dierlijk voedsel evolutionair belangrijk zou zijn geweest en zou hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het menselijk brein. Zonder vlees, zo luidt de impliciete aanname, zouden wij mogelijk niet staan waar wij vandaag staan.
Uit deze historische continuïteit wordt geconcludeerd dat het gebruik van dieren moreel legitiem zou zijn. Traditie verschijnt hier niet alleen als beschrijving van wat mensen lange tijd hebben gedaan, maar als rechtvaardiging van wat zij ook in de toekomst mogen blijven doen. Impliciet luidt de structuur van het argument:
A ⇒ B
A: Een praktijk is traditioneel.
B: Deze praktijk is moreel gerechtvaardigd.
Met andere woorden: Alles wat traditie is, is alleen al vanwege zijn traditie gerechtvaardigd. Dat een praktijk traditioneel is, impliceert dat zij gerechtvaardigd is.
Uitgebreid antwoord
De centrale vraag is of traditie daadwerkelijk een toereikend moreel criterium vormt. Het traditie-argument beweert impliciet dat uit het feit dat iets lange tijd is gepraktiseerd volgt dat het moreel juist is. Logisch geformuleerd:
A ⇒ B
A: Een praktijk is traditioneel.
B: Deze praktijk is moreel gerechtvaardigd.
De contrapositie van deze uitspraak luidt:
¬B ⇒ ¬A
Als een praktijk niet gerechtvaardigd is, dan kan zij niet traditioneel zijn.
Juist hier blijkt het probleem. Er bestaan talrijke historische en culturele praktijken die lange tijd traditie waren, maar tegenwoordig als moreel problematisch of duidelijk ongerechtvaardigd worden beschouwd: de traditionele beperking van vrouwenrechten, slavernij, openbare executies, lichamelijke bestraffing van kinderen, koloniale uitbuiting of bepaalde vormen van dierenvermaak zoals stierengevechten. Deze voorbeelden tonen aan dat traditie en morele rechtvaardiging niet automatisch samenvallen.
Eén enkel tegenvoorbeeld volstaat om de algemene bewering te weerleggen dat traditie noodzakelijkerwijs morele legitimiteit verleent. Als er ook maar één traditionele praktijk bestaat die niet gerechtvaardigd is, dan is de implicatie A ⇒ B onjuist.
Traditie beschrijft in eerste instantie slechts wat mensen lange tijd hebben gedaan. Het is een descriptieve categorie. Morele rechtvaardiging daarentegen is een normatieve beoordeling. Uit een "Het was zo" volgt niet automatisch een "Het moet zo blijven". Deze overgang van zijn naar behoren is filosofisch niet vanzelfsprekend.
Ook het evolutionair-biologische argument verandert hier niets aan. Dat dierlijk voedsel onder bepaalde historische omstandigheden overlevingsrelevant was, betekent niet dat het gebruik ervan onder hedendaagse technologische en maatschappelijke omstandigheden moreel noodzakelijk blijft. Onze voorouders leefden ook zonder democratische rechten, zonder moderne geneeskunde en zonder gelijkberechtiging — toch leiden wij daaruit geen verplichting af om deze toestanden te behouden.
Tradities kunnen stabiliteit bieden en culturele identiteit vormen. Maar morele vooruitgang bestaat historisch juist vaak in het kritisch onderzoeken en zo nodig overwinnen van tradities. De beslissende vraag is daarom niet of een praktijk traditie is, maar of zij onder huidige omstandigheden moreel gerechtvaardigd kan worden.